'Onderwijs telt niet voor ons'


De onderwijssituatie van Rroma in Roemenië

© Eveline Kentie & Frans Brinkman, Roemenië Bulletin, augustus 2002

Meerdere onderzoeken wijzen op een slechte onderwijssituatie van de Rroma in Roemenië.(1) Van de volwassenen, die tijdens het communistische regime als laag- of omgeschoolde arbeider werden ingezet, is ongeveer een derde analfabeet. Een groot deel daarvan is vrouw. De kinderen van nu geven ook al geen rooskleurig beeld. Tussen de tien en negentien procent gaat niet of nauwelijks naar school en ongeveer vijfentwintig procent is vroegtijdig schoolverlater. Van de kinderen die het primaire onderwijs afronden, beginnen er weinig aan een vervolgopleiding. Het behalen van een vakdiploma of een universitaire graad is dan ook een hoge uitzondering. Eveline Kentie onderzocht voor haar eindscriptie (Ontwikkelingsstudies, Katholieke Universiteit Nijmegen) de mogelijke rol van Rroma-belangenorganisaties in de verbetering van de onderwijssituatie.(2) Een belangwekkend en inspirerend voorbeeld is dat het Roemeens Ministerie van Onderwijs recentelijk een strategie heeft ontwikkeld in samenwerking met Grupul de Lucru al Asociaţiilor Rromilor din România (GLAR - een werkgroep van Rroma-organisaties). Mogelijke hinderpaal in het functioneren van belangenorganisaties is hun nog maar prille bestaan en de onderlinge visieverschillen.

Beknopt historisch perspectief
De eerste Rroma arriveerden rond de twaalfde eeuw en werden ingezet als slaven. Pas in de negentiende eeuw werd de slavernij afgeschaft, maar de ex-slaven kregen nauwelijks rechten. Gedurende een deel van de Tweede Wereldoorlog was Roemenië bondgenoot van nazi-Duitsland en werden meer dan 26.000 Rroma gedeporteerd. Tijdens het communistische regime verdwijnt het etnische onderscheid naar de achtergrond. Iedereen was gelijk en werd gelijk behandeld, mits men zich voegde naar de toen geldende mores. Veel Rroma zijn geheel of gedeeltelijk geassimileerd met de Roemeeense bevolking. Hierdoor is het moeilijk om te bepalen hoeveel Rroma er thans in Roemenië leven. Officiële cijfers spreken van circa een half miljoen, meer informele onderzoeken spreken van twee tot vier miljoen.(3) Deze grote verschillen hangen samen met definitiekwesties. Is bijvoorbeeld afstamming doorslaggevend of zijn, zoals wel wordt gesteld, alleen degenen die Romani spreken Rroma.(4)
Na de val van de communistische dictatuur lijken discriminatie van en geweld tegen Rroma te zijn toegenomen, waardoor hun sociaal, economisch en politiek isolement is versterkt. Procentueel is er veel werkeloosheid, is het opleidingsniveau zeer laag en is sprake van een slechte gezondheidssituatie. De nieuwe democratie in Roemenië heeft echter wel geleid tot meer rechten, zoals het recht zich te organiseren in politieke partijen en in niet-gouvernementele organisaties. In de tweede helft van de jaren negentig worden veel van dit soort organisaties opgericht.

Oorzaken van de onderwijsachterstand
Over de oorzaak van de slechte onderwijssituatie lopen de meningen uiteen. Roemenen zoeken deze veelal bij de Rroma zelf, en noemen bijvoorbeeld het bestaan van belemmeringen door cultuurverschillen. Rroma leggen veelal de schuld bij factoren in de Roemeense maatschappij, zoals discriminatie en racisme. Een volgens ons redelijk standpunt is dat onderwijsbelemmeringen worden veroorzaakt door een complex van sociaal-economische problemen, culturele verschillen en maatschappelijke factoren.

Sociaal-economische problemen
De sociaal economische situatie van Rroma wordt overwegend gekenmerkt door een slechte positie op de arbeidsmarkt in combinatie met slechte huisvesting. Kinderen kunnen worden geacht bij te dragen aan het gezinsinkomen door te werken of te bedelen. Ze missen dan lessen of ze gaan helemaal niet naar school. Daarnaast zijn Rroma-kinderen relatief vaker ondervoed en ziek, hetgeen onder meer leidt tot een hoger schoolverzuim of een gebrek aan concentratie in de klas. De sociaal-economische problemen hebben het karakter van een vicieuze cirkel: door deze problemen is de onderwijssituatie slecht, door de slechte onderwijssituatie kunnen Rroma hun economische situatie zelf niet verbeteren.

Culturele verschillen
Rroma verschillen onderling in de mate waarin ze de Roemeense cultuur hebben overgenomen. Voor bepaalde groepen geldt dat ze sterk hechten aan eigen waarden en normen. Bij die groepen kunnen meisjes en vrouwen in een nadrukkelijk ondergeschikte positie verkeren. De meisjes trouwen op jonge leeftijd en dienen later voor de kinderen en het huishouden te zorgen. Volgens deze Rroma hebben ze daar geen onderwijs voor nodig.
Een andere belemmering is de taal. Een slechte beheersing van het Roemeens leidt ertoe dat een kind zich buitengesloten voelt op school en een negatief zelfbeeld krijgt. Via taal kan namelijk een hiërarchie worden gesuggereerd: de Roemeens sprekende burger staat boven de Romani sprekende burger. Het Roemeense ţigan, waarmee ook onderwijzers bewust of onbewust Rroma-kinderen aanspreken, is door de eeuwen heen welhaast synomien geworden aan 'laag' en 'achterlijk' en wellicht ook aan 'lui' en 'onbetrouwbaar'. Op school is tigan zijn dan eerder iets waar men zich voor schaamt dan iets waar men trots op is.
Een derde culturele belemmering die we noemen is dat het onderwijs strak is georganiseerd. Rroma die minder met de klok leven en vrijheid veel waarde toekennen, kunnen daardoor in problemen komen met aanvangstijden, afspraken en planning.

Maatschappelijke factoren
Een onmiskenbare maatschappelijke oorzaak wordt gevormd door discriminatie en racisme. Vooroordelen en stereotyperingen zitten stevig ingebakken in de Roemeense samenleving. Rroma-leerlingen lopen daardoor de kans om als groep behandeld te worden en niet als individuen met eigen kwaliteiten. Een ander maatschappelijk probleem is de regelgeving met betrekking tot onderwijs. Om kinderen in het onderwijs in te schrijven is er een akte van verblijfplaats nodig. Het komt voor dat Rroma deze niet bezitten, omdat ze niet zijn geregistreerd bij de burgelijke stand en formeel dus nergens wonen. Een andere regel bepaalt dat kinderen ouder dan zes jaar niet meer in het onderwijs kunnen instromen. Rroma die reizen of hun kinderen om financiŽle omstandigheden thuis houden, melden kinderen te laat aan. Dit uitstel leidt tot (gedwongen) afstel.
Tot slot zijn de hoogst waarschijnlijk onjuiste statistische gegevens een probleem voor de onderwijssituatie. Zolang er circa een half miljoen in plaats van bijvoorbeeld anderhalf miljoen Rroma worden erkend, zal beleid gericht op het verbeteren van de situatie ontoereikend blijven.

Oorzaken als hierboven beschreven, zijn vooral van toepassing op de minder traditioneel levende Rroma. Een klein percentage zeer traditionele Rroma kiest er zelf voor om hun kinderen van school weg te houden. Ze kunnen niettemin in een goede sociaal-economische situatie verkeren. Kennis en kunde (ambachten, handel) worden simpelweg van generatie op generatie overgedragen. Juist bij dergelijke groepen kan de angst bestaan dat kinderen door onderwijs verroemeniseren, waardoor hun eigen waarden en normen verloren gaan.

Visies en strategieën
Organisaties die opkomen voor de belangen van hun bevolking beschouwen zichzelf als onderdeel van een civil society. Sociale wetenschappers zien een civil society als een belangrijke factor in het ontwikkelingsproces van een samenleving of bevolkingsgroep. Een civil society probeert zo onafhankelijk mogelijk van de staat en de markt de situatie van de achterban te verbeteren. Dit gebeurt onder meer door diensten te bieden die de overheid niet biedt en door beïnvloeding van overheidsinstanties om beleid te veranderen. Binnen de Rroma civil society bestaan drie visies op de aanpak van de onderwijssituatie:

1) Intercultureel onderwijs
Veel organisaties willen intercultureel onderwijs. Het doel van dit onderwijs is zowel minderheidsleerlingen als meerderheidsleerlingen leren welke verschillen er zijn en dat het goed is dat die verschillen er zijn. Dit type verbetering staat voor wederkerigheid: niet alleen leren mét elkaar maar ook ván elkaar.

2) Multicultureel onderwijs
Een aantal organisaties pleit voor multicultureel onderwijs en monocultureel onderwijs, waarbij de ontwikkeling van de eigen culturele identiteit en het (leren) accepeteren van andere culturele identiteiten centraal staat. Dit type van verbetering staat voor aanvaarding van een zekere scheiding tussen culturele werelden van minderheidsleerlingen en meerderheidsleerlingen.

3) Kwantiteit in het onderwijs
Een weinig aangehangen opvatting is dat er eerst meer Rroma moeten instromen voordat er verbeteringen kunnen worden aangebracht. Dit type verbetering richt zich eerst en vooral op de toegankelijkheid van het onderwijs.

Om de bovenstaande doelen te bereiken, gebruikt de civil society drie strategieën:

1) Lobbyen bij nationale en lokale autoriteiten
De organisaties proberen de autoriteiten te beïnvloeden door demonstraties en door deel te nemen aan nationale en internationale congressen. Een belangrijk resultaat van deze lobby is de in de inleiding aangestipte samenwerking tussen het Ministerie van Onderwijs en GLAR. Momenteel wordt GLAR beschouwd als het belangrijkste lobby-instrument.

2) Maatschappij-onderwijs
Maatschappij-onderwijs heeft als doel kritische aandacht voor maatschappelijke kwesties te ontwikkelen en levend te houden. Rroma-organisaties geven bijvoorbeeld informatie over problemen, veranderingen en mogelijkheden van Rroma aan de Roemeense bevolking en aan de internationale gemeenschap.

3) Concrete veranderingen op lokaal niveau
Een aantal organisaties probeert door middel van zeer concrete veranderingen het onderwijs toegankelijker te maken. Drie projecten zijn in het onderzoek nader bekeken: de ontwikkeling van een interculturele rekenmethode in het Roemeens en het Romani, voor scholen met een hoge Rroma-populatie; de ontwikkeling van een cultureel onderwijscentrum, waar kinderen geholpen worden om over hun eigen taal en cultuur te leren; een tweede-kansproject waarin jongeren die nooit eerder naar school zijn geweest, kunnen leren lezen en schrijven.

Bijdrage van Rroma civil society
Het lijkt erop dat de Rroma-organisaties hun ideeën onvoldoende kunnen omzetten in acties. De hiervoor genoemde concrete projecten zijn veelbelovend, maar worden slechts op zeer kleine schaal toegepast. De belangrijkste beperking om bij te dragen aan verandering ligt ons inziens bij de civil society zelf. Om op effectieve wijze te kunnen zorgen voor verbeteringen, moet een civil society voldoen aan een aantal voorwaarden: de organisaties moeten midden in de samenleving staan, waardoor er een directe interactie met de achterban is; de doelen en motivaties van de organisaties moeten gebaseerd zijn op die interactie; de achterban moet de organisaties voldoende steunen.
De Rroma-civil society bestaat pas enkele jaren en is nog volop in ontwikkeling. Ze kan nog niet voldoen aan de eisen die aan een civil society worden gesteld. Tevens is er een gebrek aan kennis, vaardigheden en ervaring. Ook hebben de organisaties moeite met het vinden van financiŽle bronnen, waardoor zij afhankelijk zijn van schaarse donoren. Deze donoren hebben niet altijd een goede invloed op het beleid van de organisaties. Ze kunnen bijvoorbeeld invloed uitoefenen op de doelen en strategieën van organisaties. Het heeft er alle schijn van dat de leiding binnen de civil society in handen is van een kleine groep, een elite, die het doel heeft haar eigen machtspositie te versterken. Deze elite kan uit meer traditionele groepen komen en daardoor automatisch meer oog hebben voor de belangen voor die specifieke groepen. Een gevolg kan zijn dat een activiteit van een organisatie niet aansluit bij behoeftes van burgers die de organisatie zegt te vertegenwoordigen. Een goed voorbeeld hiervan is dat in het regulier onderwijs gerealiseerde lessen Romani nauwelijks door Rroma-leerlingen worden bezocht. Zij, en hun ouders, willen hun taalvaardigheid niet vergroten omdat dat niets oplevert binnen de Roemeense samenleving.
Naast de beperkingen van de civil society zijn er belemmeringen door de slechte samenwerking met actoren als nationale en lokale autoriteiten, schoolbesturen en andere belangengroepen. Deze actoren richten zich bijvoorbeeld veel meer op de kwantiteit dan op de kwaliteit van het onderwijs, en hebben nauwelijks aandacht voor de culturele achtergrond van Rroma.

De vraag of de Rroma civil society bijdraagt aan het verbeteren van de onderwijssituatie kan beantwoord worden met 'Ja, maarÖ'. De organisaties hebben heldere ideeŽn en ze proberen wel degelijk deze ideeŽn om te zetten in acties. Op nationaal niveau wordt er invloed uitgeoefend op het beleid en op lokaal niveau hebben concrete projecten een gunstige uitwerking op een kleine groep leerlingen. De bereikte resultaten hebben echter een beperkte reikwijdte en worden niet overal positief ontvangen. De belangrijkste oorzaak hiervan is het prille bestaan van deze organisaties. Er is vooralsnog te weinig overeenstemming in doelen en de doelen zijn niet altijd gebaseerd op de wensen van de achterban. Bovendien opereert deze civil society in een economisch en sociaal instabiele omgeving. Toch is het zeer positief dat er organisaties bestaan en dat ze hun stem laten horen. Mede door hun invloed heeft de Roemeense regering een nationale strategie ter verbetering van de situatie van de Rroma aangenomen. Zoals een van de organisaties het zelf verwoordt: 'Sometimes it is better to do less than to wait for something from others.'(5)

(1) Zie o.a. Zamfir, E., (1998). The Situation of Child and Family in Romania. UNICEF; Ionescu, M. & Cace, S., (2000). Best Practice on Rroma communities. Impreunǎ.
(2) Dit artikel is gebaseerd op een onderzoek dat is uitgevoerd van oktober 2000 tot en met maart 2001 in RoemeniŽ. De titel van het onderzoek, 'Onderwijs telt niet voor ons', slaat op de moeilijke onderwijssituatie van Rroma in RoemeniŽ. Gegevens zijn hoofdzakelijk verzameld via interviews met Roemeense en Rroma organisaties, scholen, leerlingen en overheidsambtenaren.
(3) Onderzoeken naar Rroma zijn vaak gebaseerd op officiële cijfers. De volkstelling van 2002 geeft aan dat 535.250 mensen (2,5% van de bevolking) zelf hebben aangegeven Rroma te zijn. Rroma-parlementariër Mǎdǎlin Voicu zei als reactie dat hij meende dat er eigenlijk ongeveer 2,5 miljoen Rroma zijn.
(4) Braham, M. (1992). The Untouchables: a Survey of the Rroma People of Central and Eastern Europe. UNHCR.
(5) Ionescu & Cae, 2000.