• INSPIRATIEBRONNEN
  • STUDIEOPDRACHTEN

    Denken over je vak – deugden als handreiking voor sociaal werkers

    © Frans Brinkman - BSL Houten (ISBN 90 313 4568 7)

    De vraag of objectieve waarheid deel uitmaakt van het menselijke denken, is geen theoretische kwestie, maar een van de praktijk. De waarheid, dat wil zeggen: de realiteit en de kracht van het denken, moet in de praktijk worden gedemonstreerd (Karl Marx)

    Voorwoord Marius Nuy (ethicus)

    Wekt denken deugdzaamheid?

    Inleiding

    Redenen om na te denken; Uitgangspunten; Hoe zit het boek in elkaar?

    1 Zorgvormen en figuren

    1.1 Het bestaan van je werk

    1.1.1 Universele behoeften

    Piramide van Maslov; Diversiteit in uitingsvormen; De werking van de tijd; Wat is een probleem?; Sociaal werk als onderdeel van de cultuur

    1.1.2 Economische factoren

    Oormerken van gelden; De kostbare zaak

    1.1.3 Zorggeschiedenis

    Complexere samenlevingen; De zorg en de gevestigden; Onvoorspelbare processen; Professionals en disciplinering

    1.1.4 Democratisering van informatie

    Emancipatie en ontzuiling; Afnemende machtsverschillen; Buttom up informatiemanagement

    1.2 Boodschappen voor de cliënt

    1.2.1 Het biogenetisch model

    1.2.2 Het psychoanalytisch model

    1.2.3 Het leertheoretisch model

    1.2.4 Het rationeel-emotieve model

    1.2.5 Het humanistisch model

    1.2.6 Het monotheïstisch model

    1.2.7 Het maatschappijkritisch model

    1.2.8 Het systemisch model

    1.2.9 Het sociaal integrerend model

    1.2.10 Het eclectisch-ecologisch model

    1.2.11 Overige modellen

    1.3 Deugden als professioneel werkkader

    1.3.1 De deugden

    Kardinale deugden; Intellectuele deugden en karakterdeugden; Deugden, kennis en vaardigheden; Leren als cliënten

    1.3.2 Distantie

    Het nut van schijngestalten; Opschorten van het ‘ik’

    1.3.3 Bescheidenheid

    Openheid; I love truth; Vrij denken

    1.3.4 Moedigheid

    Tegen de taboes; Tegen de angsthazen; Tegen de luiheid

    1.3.5 Verstandigheid

    De onverstandige saaiheid; Nut en schade; Voorlopige aannames

    1.3.6 Rechtvaardigheid

    Niets doen bestaat niet; Schipperen in billijkheid

    1.3.7 Lichamelijke toestand

    Bodyfeelings; Werkstress; Je intuïtieve lijf

    1.4 Reflectie als noodzaak

    1.4.1 Externe drang

    De professionele omgeving; Opvoeders in het werkveld; Pro-actief zijn

    1.4.2 Interne beweegredenen

    Interesse in mensen; Zelfontplooiing; Nogmaals intuïtie

    1.4.3 Referentiekaders

    Stilstaand lichaam; Photoshopping; Entree in de wereld van zorg & welzijn

    2 De deugden toegepast

    2.1 Pijlers voor dialogen

    2.1.1 Verhalen

    Hard versus zacht?; Begrijpen…; Uitlegkunde; Machtswoorden

    2.1.2 Innerlijke spraak

    Individuele meerstemmigheid; Ruimtegevend of beperkend

    2.1.3 Communicatief onderzoek

    Voor- en nadelen van ordening; Zich accentuerende materie; Eigenschap of context als beginpunt; Permanente dialoog

    2.2 Deugden in de leercirkel

    2.2.1 De ervaring

    Hulpmiddelen

    Barrières

    Waarom-vragen

    Verandering willen

    Antwoorden hebben

    Geen zin zien

    Openheid als deugd

    2.2.2 De beschouwing

    Hulpmiddelen

    Barrières

    Vol zitten

    Gespannenheid

    Goede raad

    Blinde vlekken

    Waarheidsliefde als deugd

    2.2.3 De gevolgtrekking

    Hulpmiddelen

    Barrières

    Te divergent

    Te convergent

    Te praktisch

    Te weinig uitdaging

    Praktische wijsheid als deugd

    2.2.4 De test

    Hulpmiddelen

    Barrières

    Eigen dunk

    Snelle bijstelling

    Geen draagvlak

    Objectiviteit als deugd

    2.3 Weging van informatie

    2.3.1 Geldigheidsaanspraken

    Feitelijkheden; Geboden; Innerlijke roerselen; Aandachtspunten

    2.3.2 Belangen

    Frustraties; Conservering; Tijdbeslag; Aandachtspunten

    2.3.3 Resultaten

    Cliëntgericht; Methodegericht; Werkgericht; Aandachtspunten

    3 Deugdzaamheid aanleren

    3.1 Denkfouten en manipulaties

    Zwart-witdenken; Gemiddelde waarheden; Generalisaties; Manke vergelijkingen; Cirkelredeneringen; Daarna, dus daardoor; Meten met twee maten; Overdrijvingen; Subjectiviteit

    3.2 Hulpschema’s gedachteordening

    Piramide van succes; Betrokkenheid en invloed; Tijdmanagement; ‘Be smart’

    3.3 Deugdzaam door oefening

    Time-out; Kleine dingen; Beleven; Ontmoeten; Twijfel zaaien; Onthouding; ‘Snoeken’; De mens als kunstwerk

    3.4 Jezelf als ijkpunt

    Ken je voorlopige zelf; Zie jezelf ‘in process’; Koester je als lerende; Wees sceptisch; Ontleed de zinnen; Sta open voor ‘anders’; Zoek de gelijkwaardigheid; Verbind respect aan openheid; Vermijd strategisch handelen; Berust periodiek; Spreek de waarheid; Blijf trouw aan jezelf; Wees democratisch; Wees wijs… geniet; Wees wijs… laat je raken

    4 Filosoferen

    4.1 Ideeën

    4.1.1 Cognities als keuze

    Plausibele driedeling; Pragmatische keuze

    4.1.2 Gedachten

    Bewerking van informatie; Grensgevallen; Een prikkel van betekenis

    4.1.3 Theorieën

    Theorievorming; De menselijke diversiteit; De impact van een theorie

    4.1.4 Waarheden

    Onomstotelijke waarheden?; Werkzame bestanddelen; De queeste

    4.1.5 Emoties

    Gedachten en gevoelens; Circulariteit; Ik creëer dus ik besta

    4.2 Contexten

    4.2.1 Dynamische vormgeving

    Eigentijdse dwalingen?; Altijd contexttijd; Betekenisverwerving; Continue ontwikkeling

    4.2.2 Systeem surplus

    Relatieve autonomie; Socialisatie;

    4.2.3 Inlijving…

    De samenleving als bezetter; Afhankelijkheid en afwijking; Waarheid en fantasie

    4.2.4 … of in de centrifuge?

    Verwijdering uit het gewone leven; Integratie van diversiteit

  • NAAR BEGIN

    INSPIRATIEBRONNEN

    Achterhuis, Hans (1998). De erfenis van de utopie. Amsterdam: Ambo.

    Achterhuis, Hans (1979). De markt van welzijn en geluk. Amsterdam: Ambo.

    Baars, Jan & Kal, Doortje (Red.) (1995). Het uitzicht van Sisyphus, maatschappelijke contexten van geestelijke (on)gezondheid. Groningen: Wolters-Noordhoff.

    Baart, Andries (2004). Aandacht - etudes in presentie. Utrecht: Lemma.

    Baart, A.J., Kunneman, H, & Boon, Chr. (1994). Reeks Methodiekontwikkeling - ontwikkeling en levensbeschouwing. Amsterdam: SWP.

    Baart, Anderies (2001). Een theorie van de presentie. Utrecht: Lemma.

    Beer, P. de (2005. Perspectief op de arbeidsmarkt. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.

    Beier, E.G. (1966). The silent language of psychotherapy: social reinforcement of unconscious processes. Chicago: Aldine.

    Bjørneboe, Jens (1966, 1980). Het ogenblik van de vrijheid - het Heiligenberg-manuscript. Amsterdam: Meulenhoff.

    Boer, Theo de (1980). Grondslagen van een kritische psychologie. Baarn: Ambo.

    Bosch, Erik (2001). Bejegening in de zorg - respectvol omgaan met cliënten. Soest: Nelissen.

    Cioran, Emil (2001). Bestaan als verleiding. Groningen: Historische uitgeverij.

    Comte-Sponville, André (1997), Kleine verhandeling over de grote deugden, Atlas Amsterdam/Antwerpen.

    Delft, Fee van & Wijers, Gert Jan (1996). Therapeutische modellen in de sociaal pedagogische hulpverlening - theorie en praktijk. Baarn: Nelissen.

    Donkers, G. (2001). Veranderkundige modellen. Soest: Nelissen.

    Elias, N. & Scotson, J.L. (1985). De gevestigden en de buitenstaanders. ’s Gravenhage: Ruward.

    Ellis, A. & R. Grieger (1977). Handbook of rational emotive therapie. New York: Springer.

    Frankl, V.E. (1981). De vergeefse roep om een zinvol bestaan. Amsterdam: Meulenhoff.

    Foucault, Michel (1985). Ervaring en waarheid. Nijmegen: Te Elfder ure.

    Foucault, M. (1982). Geschiedenis van de waanzin in de achttiende en negentiende eeuw, Meppel: Boom.

    Fromm, Erich (1981). De angst voor de vrijheid- de vlucht in autoritairisme, destructivisme, conformisme. Utrecht: Bijleveld (Escape from Freedom, 1941).

    Fromm, Erich (1978). De revolutie van de hoop - naar een humanisering van de technologische samenleving. Utrecht: Bijleveld (The Revolution of Hope, 1968).

    Fromm, Erich (1977). De gezonde samenleving - psychopathologie van democratie en kapitalisme. Utrecht: Bijleveld (The Sane Society, 1955).

    Fromm, Erich (1976). Liefhebben, een kunst, een kunde - over de ontplooiing tot creatief mens-zijn . Utrecht: Bijleveld (The Art of Loving, 1956).

    Fromm, Erich (1976). Haben oder sein - die seelischen Grundlagen einer neuen Gesellschaft. Stuttgart: Deutsche Verlags-Anstalt.

    Gaarder, Jostein (1994). De wereld van Sofie - roman over de geschiedenis van de filosofie. Antwerpen: Houtekiet/Fontein.

    Galjaard, Hans (1994). Alle mensen zijn ongelijk - de verschillen en overeenkomsten tussen mensen: hun erfelijke aanleg, gezondheid, gedrag en prestaties. Amsterdam: Balans.

    Gomperts, W.J. (2000). Dyscivilisatie en dysmentalisatie. De ontsporing van het civilisatieproces psychoanalytisch bezien. Tijdschrift voor Psychoanalyse, 6, 4, 193-213.

    Goudsblom, Johan (1992). Vuur en Beschaving. Amsterdam: Meulenhoff.

    Gregory, Richard L. (Ed.) (1987). The Oxford Companion To The Mind. Oxford: Oxford University Press.

    Groenendijk, Leendert F. & Steutel, Jan W. (Red.) (2004). Analytisch filosoferen over opvoeding en onderwijs. Amsterdam: SWP.

    Hermans, Frank (2005). Op zoek naar bescherming. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.

    Heyndrickx, Paul e.a. (2005). Meervoudig gekwetsten - contextuele hulpverlening aan maatschappelijk kwetsbare mensen. Tielt: Lannoo.

    Hoesel, prof. dr. A.F.G. van (1955). Zindelijk denken - foutieve denkwijzen, oneerlijke discussiemethoden. Bilthoven: Nelissen.

    Illich, Ivan (1981). Grenzen aan de geneeskunde - het medische bedrijf, een bedreiging voor de gezondheid. Baarn: Het Wereldvenster.

    Irigaray, L. (1992). Ik, jij, wij - voor een cultuur van het onderscheid. Kampen: Kok Agora.

    Jonge, Ed de (1995). Ethiek voor maatschappelijk werkers, een methodische aanpak van morele dilemma’s. Bussum: Coutinho.

    Jung, C.G. (1987). Archetypen. Katwijk aan Zee: Servire.

    Kal, Doortje (2001). Kwartiermaken - werken aan ruimte voor mensen met een psychiatrische achtergrond. Amsterdam: Boom.

    Kamp, Max van der et al. (1993). Reeks Methodiekontwikkeling - concepten en trajecten. Amsterdam: SWP.

    Kayzer, Wim (1993). Een schitterend ongeluk - Wim Kayer ontmoet Oliver Sacks, Stephen Toulmin, Daniel C. Bennet, Rupert Sheldrake en Freeman Dyson. Amsterdam: Contact.

    Kelley, G.A. (1955). The psychology of personals constructs. New York: Norton.

    Kessel, Louis van (1990). Kolbs typologie van leerstijlen - een hulpmiddel voor begeleiding van het leren van supervisanten. Supervisie in opleiding en beroep, 7, 2, 26-44.

    Kolb, D.A. (1984). Experiental learning - experience as the source of learning and development. Englewood Cliffs: Prentice Hall.

    Kortman, F.A.M, Kempen, H.J.G. & Procee, H. (1993). Westerse normen in de geestelijke gezondheidszorg. Baarn: Ambo.

    Kunneman, Harry (2005). Voorbij het dikke-ik - bouwstenen voor een kritisch humanisme. Amsterdam: SWP.

    Kunneman, Harry (1998). Post-moderne moraliteit. Amsterdam: Boom.

    Kunneman, Harry (1996). Van theemutscultuur naar walkman-ego - contouren van postmoderne individualiteit. Amsterdam: Boom.

    Kunneman, H. (1983). Habermas’ theorie van het communicatieve handelen, een samenvatting. Meppel: Boom

    Laan, Geert van der (2004). Presentie bedrijfskundig onderbouwd. In Frans Brinkman, Presentie in de praktijk, een verkenning in de maatschappelijke opvang. Utrecht: NIZW.

    Laan, Geert van der (2003). Moderne technologie als metafoor. In Gerard Lohuis & Louis Polstra (Red.), De vele gezichten van de gedeelde werkelijkheid (p. 24-35). Amsterdam: SWP.

    Laan, G. van der (1992). Legitimatieproblemen in het maatschappelijk werk. Utrecht: SWP.

    Lee, William R. (2002). Clare W. Graves, Levels of Human Existence - A transcription Edited by William R. Lee. Santa Barbara CA: ECLET Publishing.

    Lohuis, Gerard & Polstra, Louis (2003). De vele gezichten van de gedeelde werkelijkheid. Amsterdam: SWP.

    Mans, I. (1998). Zin der zotheid. Vijf eeuwen cultuurgeschiedenis van zotten, onnozelen en zwakzinnigen. Amsterdam: Bert Bakker.

    Mansholt, Henk (2004). Van waanzin tot levenskunst. Lezing ter gelegenheid van het afscheid van ethicus Dorine Bauduin van het Trimbosinstituut d.d. 26 maart 2004 (trimbos.nl/downloads).

    Mietzel, Gerd (1987). Wegwijs in de psychologie. Zutphen: Thieme.

    Milders, C.F.A. (1996). Waarden en wetenschap in de psychiatrie: wendingen van de Januskop. In C.F.A. Milders et al. (Red.), De Januskop van de psychiatrie (p. 10-37). Assen: Van Gorcum.

    Margalit, Avishai (2001). De fatsoenlijke samenleving. Amsterdam: Van Gennep.

    Millius, Jaap et al. (2001). Werken aan academische vorming - ideeën voor actief leren in de onderwijspraktijk. Utrecht: Universiteit Utrecht.

    Musschenga, Bert (2004). Opvoeding tot integriteit. In Leendert F. Groenendijk & Jan W. Steutel, (Red.), Analytisch filosoferen over opvoeding en onderwijs, 117-128. Amsterdam: SWP.

    Nuy, Marius & Brinkman, Frans (Red.) (2004). Wanorde in een mensenleven - een bezinning op thuisloosheid. Amsterdam: SWP.

    Payne, Malcom (1997). Modern social work theory. London: Macmillan Press.

    Petry, D. & Nuy, M. (1997). De ontmaskering, terugkeer van het eigen gelaat van mensen met een chronische psychiatrische beperking. Utrecht: SWP.

    Pirsig, Robert, M. (1984). Zen en de kunst van het motoronderhoud. Amsterdam: Bert Bakker.

    Rand, Ayn (1999) De eeuwige bron. Amsterdam: Luitingh Sijthoff (The Foutainhead, 1943).

    De Roeck, Bruno-Paul (1979). Wat is goed, wat is kwaad? - ethiek van gestalt. Haarlem: De Toorts.

    Ruijter, Jan de et al. (1997). De docent als coach. Baarn: Nelissen.

    Russen, Bertrand (1984). Geschiedenis van de Westerse filosofie. Katwijk: Servire.

    Sartre, Jean Paul (1967). Over het existensialisme. Amsterdam: Uitgeverij Maarten Muntinga.

    Sasz, Thomas (1973). De tweede zonde - gedachten over huwelijk, seks, drugs, geestesziekte, psychiatrie en andere zaken. Bilthoven: Amboboeken.

    Sevenant, Ann van (1992). Het verhaal van de filosofie - inleiding tot de wijsbegeerte van vroeger en nu. Antwerpen: Hadewijch.

    Swaan, Abraham de (1989). Zorg en staat, welzijn, onderwijs en gezondheidszorg in Europa en de Verenigde Staten in de nieuwe tijd. Amsterdam: Bert Bakker.

    Schuyt, prof. dr. mr. C.J.M. (1986). Filosofie van de sociale wetenschappen. Leiden: Martinus Nijhoff.

    Stuurwold, Bert (1981). Maatschappij-analyse - doet u mee? Nijkerk: IKVOS.

    Tilburg, W. van (2001). Condities voor empathie. Tijdschrift voor Humanistiek, 2, 5 (human.nl/humanistiek/index).

    Tongeren, Paul van (2004). Deugdelijk leven - een inleiding in de deugdethiek. Nijmegen: SUN.

    Tongeren, Paul van (2002). Matigheid en milieuzorg. Ethische perspectieven, 3-4, 232-243.

    Tongeren, Paul van (1998). Zorg op maat van de deugd - een beschouwing over de economische benadering van de gezondheidszorg in Nederland. Ethische perspectieven, 8, 3, 165-173.

    Verkerk, Marian (Red.) (1997). Denken over zorg - concepten en praktijken. Utrecht: Elsevier/De Tijdstroom.

    Vossen, Toine (1976). Zichzelf worden in een menselijke relatie - een ontwikkelingspsychologische studie van de Rogeriaanse grondhouding en haar verwerkelijking in psychotherapie, onderwijs en bedrijfsleiding. Haarlem: De Toorts.

    Watzlawick, P., Beavin, J.H. & Jackson, D.D. (1986). De pragmatische aspecten van de menselijke communicatie. Deventer: Van Loghum Slaterus.

    Weber, W.M. (1981 e.v.). De meningen van de filosofen - negen dwarsdoorsneden door de Westerse filosofie. Groningen: Konstapel.

    Westers, Fred et al. (2000). Praktijkgericht kwalitatief onderzoek. Bussum: Coutinho.

    Widdershoven, Guy (1999). Eerste ervaringen van toetsingscommissie euthanasie - theorie en praktijk dichter bij elkaar. Ethische perspectieven, 3-3, 198-202.

    Widdershoven, G. (1995). Principe of praktijk? Een hermeneutische visie op gezondheid en zorg (Oratie). Maastricht: Universiteit van Maastricht.

    Wilterdink, Nico & Heerikhuizen, Bart van (Red.) (1999). Samenlevingen - een verkenning van het terrein van de sociologie. Groningen: Wolters Noordhoff.

    Yalom, I.D. (1980). Existential psychotherapy. New York: Basic Books Inc.

    Zandberg, Tj. et al. (1994). Reeks Methodiekontwikkeling - ontwikkeling en onderzoek. Amsterdam: SWP.

    Websites (www *.*)

    Centrum voor Ethiek en Gezondheid: ceg.nl.

    ‘Deugdenproject’: virtuesproject.com.

    EUREK@ Database Praktische Humanistiek: uvh.nl.

    Ethische-perspectieven: ethische-perspectieven.be.

    Skepsis: skepsis.nl.

  • NAAR BEGIN

    STUDIEOPDRACHTEN

    0.0 Studieopdrachten (Inleiding)

    1. Maak een samenvatting van het voorwoord en de inleiding. Noteer drie opmerkingen (vragen, kanttekeningen e.d.) die bij je opkomen en leg jezelf uit waardoor deze reacties bij je worden opgeroepen.
    2. Bespreek deze eerste studieopdracht met een collega of medestudent. Maak aantekening van wat dit je oplevert.
    3. Maak een planning voor het lezen van de kaderteksten in dit boek. Formuleer bij elke tekst een voor jou belangrijke vraag en geef daar jouw antwoord op.
    4. Neem iemand in gedachten die volgens jou vaak ondeugdzaam handelt. Wat doet die persoon en wat is er fout aan zijn gedachten of gedragingen?
    5. Welke associaties heb jij bij deugdzaam hulpverlenen? Noem een aantal trefwoorden en vergelijk deze met een medestudent.

    1.1 Studieopdrachten (Het bestaan van je werk)

    1. Zoek een omschrijving van de cultureel-antropologische begrippen ‘wij-cultuur’ en ‘ik-cultuur’ en geef aan de hand daarvan een (fictief) voorbeeld van verschillende vormgeving van de basisbehoeften volgens Maslov. Doe hetzelfde met de begrippen ‘losmazig’ en ‘fijnmazig’.
    2. Voer in een internetzoeksysteem ‘moeilijk opvoedbaar’ in of een ander sociaal werk gerelateerd begrip en zoek voorbeelden van hoe er dertig jaar en vijftig jaar geleden over werd gedacht. Beschrijf de overeenkomsten en verschillen met huidige opvattingen.
    3. Kies een probleemgebied waarvoor volgens jou veel te weinig geld wordt uitgetrokken en schrijf een korte verhandeling over de redenen van het te krappe budget.
    4. Kies uit je werk- of stage-ervaring een cliënt en bedenk welke informatie voor hem of haar belangrijk zou kunnen zijn. Zoek naar die informatie. Maak kort aantekening van wat je er zelf van leert. Bespreek de informatie met de cliënt en/of een naaste van de cliënt.
    5. Beschrijf de informatiestroom van werkvloer naar managent (v.v.) op je werk- of stageplaats. Formuleer je mening daarover.

    1.2 Studieopdrachten (Boodschappen voor de cliënt)

    1. Geef van ieder hulpverleningsmodel in een of twee zinnen aan wat volgens jou de essentie ervan is.
    2. Kies het model dat je het prettigst zou vinden om vanuit behandeld of begeleid te worden als jezelf een probleem hebt. Motiveer je antwoord.
    3. Geef aan welk model je het minst aanspreekt en motiveer je antwoord. Schets vervolgens hoe je aan de hand van dat model een van je cliënten uit werk of stage zou begeleiden.
    4. Noteer bij elk model welke beroepsgroepen zowel als organisatie (instellingen, voorzieningen) er het meest gebruik van maken.
    5. Noem of verzin een model dat niet is genoemd en beschrijf dit in termen van basisuitgangspunten en boodschappen. Rond de beschrijving af met twee sterkte kanten van het model en twee zwakke.

    1.3.1 Studieopdrachten (De deugden)

    1. Geef een voorbeeld van een stellige bewering die je iemand hebt horen doen of van een harde conclusie in een rapport die naderhand nergens op bleek te slaan. Waarom, denk je, werd die ‘waarheid’ toch verkondigd?
    2. Geef alle deugden een cijfer (0-10) waarmee je uitdrukt in welke mate je de betreffende deugd bezit.
    3. Noem drie verschillen en drie overeenkomsten tussen jezelf als mens en jezelf als professional.
    4. Praat met een collega, medestudent of cliënt over het standpunt dat er tussen een hulpverlener en een hulpvrager geen wezenlijke verschillen bestaan.
    5. Beschrijf een praktijkervaring waarin je in afwijking van theorie, beleid of afspraak naar eigen inzicht handelde. Leg uit hoe je daartoe kwam en beschrijf wat je vindt van je handelswijze.

    1.3.2 Studieopdrachten (Distantie)

    1. Beschrijf zo gedetailleerd mogelijk een gebeurtenis waarin je totaal niet geïnteresseerd bent. Beschrijf daarna een gebeurtenis die je raakt (leuk of minder leuk). Benoemd welke verschillen je ervaart als toeschouwer.
    2. Zoek op internet of in de bibliotheek onder trefwoorden als ‘zinsbegoocheling’, ‘valse getuigenverklaring’ of ‘onderzoek + liegen’. Schrijf vervolgens een essay over de feilbaarheid van de menselijke waarneming.
    3. Wat is jouw mening over de idee van de mens is gedoemd tot zelf betekenis geven aan het leven van zichzelf én dat van anderen?
    4. Omschrijf in enkel zinnen wat jij verstaat onder het opschorten van het ik.
    5. Welke hindernissen ken je, verwacht je bij het opschorten van het ik?

    1.3.3 Studieopdrachten (Bescheidenheid)

    1. Onder welke omstandigheden zou jij beslist liegen?
    2. Welke eigenschappen of strevingen van jezelf brengen je in verlegenheid? Wat doe je als ze toch ter sprake komen?
    3. Haal een collega (of iemand anders) voor de geest die jij een opschepper vindt. Bedenk en verwoord hoe hij of zij zich volgens jou tot waarheidsliefde verhoudt.
    4. Wat vind jij de meest stomme levensinstelling? Wat is er voor de mensen die deze instelling hebben aantrekkelijk aan?
    5. Bedenk (of probeer het uit) welke reactie je krijgt als je een t-shirt aandoet met ‘I love truth’.

    1.3.4 Studieopdrachten (Moedigheid)

    1. Maak een lijst van woorden die jij associeert met moedig zijn. Vergelijk deze met een collega of medestudent en praat er samen over door.
    2. Brainstorm in een studiegroepje over welke taboeonderwerpen er op jullie diverse werk- en stageplekken zijn.
    3. Hoe zou een werkdag eruit zien als jij het voor het zeggen had? Aan welke verschilpunten met de realiteit zou je een (heel) klein beetje kunnen doen? Welke stappen moet je daarvoor zetten?
    4. Wat vind je van de idee dat mensen die hard werken tegelijk toch ook lui kunnen zijn?
    5. Ga met een goede vriend(in) naar een plaats die je onbekend is, die je eng lijkt. Doe enigszins mee aan wat daar gebeurt. Praat na over wat je daar en bij jezelf hebt waargenomen.

    1.3.5 Studieopdrachten (Verstandigheid)

    1. Maak een lijst met woorden die je associeert met saaiheid en verstandigheid. Vergelijk dit met de lijst van een collega en praat erover door.
    2. Welk gedrag vertoon jij wel eens dat eigenlijk wel schadelijk is voor anderen? Waardoor ga je ermee door?
    3. Geef een voorbeeld van een situatie waarin je iemand hebt afgeraden iets te doen. Inventariseer je argumenten en bekijk nog eens of die echt goed waren.
    4. Noem drie situaties waarin je doorgaans impulsief reageert. Wat is er voor nodig om minder impulsief te kunnen reageren?
    5. Onderzoek samen met een collega welke veronderstellingen het werkplan van een je cliënten bevat. Welke gedachten roept de inventarisatie bij je op? Bespreek dit zo mogelijk met die cliënt ­ wat levert dat op?

    1.3.6 Studieopdrachten (Rechtvaardigheid)

    1. Geef een aantal voorbeelden van situaties waarin jij vond dat je niks deed en een ander wel. Zoek een tekst op waarin ‘alle gedrag is communicatie’ wordt beschreven en geef aan de hand daarvan commentaar op jezelf.
    2. Kies een (huishoudelijke) beleidsregel op je werkplek en ga na voor wie en waarom die goed is voor de cliënt, het team, de organsiatie, de samenleving.
    3. Maak een lijst van jouw waarden en idealen en bespreek deze met een aantal collega’s of anderen. Begrijpen jullie elkaars waarden; komen ze overeen, zijn er verschillen?
    4. Hoe geef je iedere dag een beetje vorm aan een van je idealen of hoe zou je dat kunnen doen?
    5. Noem een aantal ‘vervelende klussen’. Hoe kun je die met minder tegenzin uitvoeren?

    1.3.7 Studieopdrachten (Lichamelijke toestand)

    1. Hoe zie jij het verband tussen je rol als professional en je lichamelijke conditie? En wat breder tussen jezelf en je lichamelijke fitheid?
    2. Discussieer met een medestudent over de stelling ‘Lichamelijke sensaties zijn een betere graadmeter voor wat goed is en wat slecht, dan louter verstandelijke overwegingen’.
    3. Denk je wel eens aan cliënten in termen van lichamelijk gestresst, oververmoeid en uitgeput? Is dit een aandachtspunt in het standaardwerkplan? Wat zijn volgens jou geschikte interventies bij problemen op dit gebied?
    4. Wat doe je met je intuïtie in je werk? Wat doe je met de intuïtie van cliënten?
    5. Zoek naar informatie (bijv. via internet) over bodyfeelings, intuïtie en cliënten die minder verbaal-cognitief vermogen hebben. Schrijf daar een essay over.

    1.4.1 Studieopdrachten (Externe drang)

    1. Herinner je een of meer teams waarin je hebt gewerkt en schets het rollenpatroon: wie had er de grootste mond, wie had er het meeste zeggenschap? Wat bepaalde de status van die persoon?
    2. Kies een handeling in je werk (begeleidingsgesprek, hulp bij zelfverzorging o.i.d.) en schrijf zo volledig mogelijk uit met welke verwachtingen en eisen die handeling omgeven is.
    3. Neem een werkthema dat je boeit en zoek in de bibliotheek en via internet wie zich daar zo allemaal mee ‘bemoeit’. Formuleer wat deze zoekactie je oplevert en bij je teweegbrengt.
    4. Neem de meest routinematige klus die je kent en verzin daar een radicaal andere aanpak voor. Wat zijn de verschillen? Wat kun je er in de werkelijkheid mee?
    5. Aan welk onderdeel van je werk stoor je je? Benoem wat storend is en brainstorm over veranderingsmogelijkheden.

    1.4.2 Studieopdrachten (Interne beweegredenen)

    1. Zoek in documenten van jezelf naar hoe je zo al hebt verwoord waarom je sociaal werker bent. Actualiseer deze inventarisatie met ‘Vandaag zie ik als vier belangrijke redenen…’
    2. Bedenk tien vragen aan iemand die jouw vak niet ziet zitten (i.p.v. dat je zelf uitleg zou geven). Noteer wat je daar wijzer van wordt.
    3. Van welke cliënten leer je het meest? Wat leer je? Bespreek dit (terloops) met een cliënt of bijvoorbeeld een familielid van die cliënt. Maak een kort verslag van deze drie onderdelen.
    4. Geef een voorbeeld van een interactie met of een gedrag van een cliënt of collega waarbij je een intuïtief niet-pluisgevoel hebt. Probeer te achterhalen wat er aan de hand is.
    5. Geef een voorbeeld (privé of werk) van ‘aanvoelen dat iets wel goed zit’ en omschrijf waaraan je dat voelt.

    1.4.3 Studieopdrachten (Referentiekaders)

    1. Maak een lijst van handelingen die je verricht tussen opstaan en naar je werk of school gaan. Kies er een uit en zoom in: maak een lijst van alle informaties die aanwezig zijn. Kies daaruit weer een deel en zoom in.
    2. Beschrijf jou ‘microtheorie’ over hoe je een vervelend huishoudelijk werkje het minst vaak hoeft te doen.
    3. Beschrijf van enkele mensen de knippen die zij volgens jou in de werkelijkheid zetten. Wat sluiten ze bewust uit en wat zien ze over het hoofd?
    4. Wat zou een voorbeeld kunnen zijn van een gedeeld stilstaand lichaam in de discussie tussen de student en docent over ouderzorg?
    5. Observeer discussies en traceer waar de deelnemers verschillende oorzaak-gevolgrelaties leggen (naar tijd of onderwerp).

    2.1.1 Studieopdrachten (Verhalen)

    1. Zoek (bijv. via internet) een aantal verschillende meningen over ‘evidence based’ hulpverlenen. Vat ze samen en beschrijf vervolgens wat jouw mening is.
    2. Kijk in enkele jaarverslagen hoe daar werkzaamheden en resultaten aan elkaar verbonden zijn. Bedenk een aantal hypothesen die deze verbinding zouden kunnen afzwakken.
    3. Door wie voel jij je goed begrepen? Vergelijk deze persoon met iemand die niets van jou lijkt te begrijpen. Wat zijn de verschillen?
    4. Registreer of je in contact met een bepaalde cliënt woorden gebruikt die je thuis nooit gebruikt. Waarom gebruik je ze in het cliëntcontact wel?
    5. Beschrijf een persoon die je kent en die volgens jou doorgaans waardevolle dingen te melden heeft.

    2.1.2 Studieopdrachten (Innerlijke spraak)

    1. Maak gedurende een week kort aantekening van momenten waarop je met jezelf praat. Waar ging het over en hoe verliep het gesprek?
    2. Geef een aantal voorbeelden van situaties waarin je stemmen van anderen hoort. Maak onderscheid tussen stemmen die je aanmoedigen en stemmen die je ontmoedigen.
    3. Beleg op je werk een teambijeenkomst over innerlijke spraak. Hoe gaat een ieder daarmee om?
    4. Vraag twee cliënt hoe zij met zichzelf praten, bijvoorbeeld na een gesprek met jou.
    5. Oefen open denken, bijvoorbeeld aan de hand van de stelling dat dubbelglas absoluut schadelijker is voor het milieu dan enkelglas.

    2.1.3 Studieopdrachten (Communicatief onderzoek)

    1. Zoek drie teksten van of over Korzybski. Noteer wat voor jou essentieel is in zijn werk.
    2. Mijmer over het oog. Wat doet een oog? Neemt een oog waar? Heeft een oog alleen zin in een bepaalde context? Noem een aantal variabelen die een rol kunnen spelen.
    3. Schrijf een essay over het verschil tussen ‘verklaren’ en ‘begrijpen’ en waarom beide noodzakelijk zijn.
    4. Welke waarden dringen zich als haast onontkoombaar aan jou op in je werk of studie?
    5. Hoe leer jij iets buiten school of cursus. Benoem aan de hand van een concreet voorbeeld de stappen die je zet, de stadia die je doorloopt.

    2.2.1 Studieopdrachten (De ervaring)

    1. Breng een eigen leuke en vervelende ervaring in kaart. Maak een topografie van alle input die je bij beide ervaringen had.
    2. Pas een van de genoemde hulpmiddelen toe (op je werk of in privé-omstandigheden). Wat is voor jou achteraf gezien de meerwaarde van het hulpmiddel?
    3. Denk terug aan een situatie waarin je een (snelle) verandering hebt aangebracht. Wat zou er gebeurd zijn als je die verandering had uitgesteld?
    4. Verdiep je in een onderwerp dat je doodsaai vindt. Dwing jezelf een conclusie te trekken waar je voor jezelf wat aan hebt.
    5. Schrijf een essay over waardoor volwassenen volgens jou de kinderlijke openheid kunnen verliezen.

    2.2.2 Studieopdrachten (De beschouwing)

    1. Breng een gebeurtenis in kaart waarbij je prettig vol zat en een gebeurtenis waarbij je onprettig vol zat. Maak een topografie van alle input die je bij beide ervaringen had.
    2. Inventariseer of fantaseer over welke informatie niet tot je doordrong tijdens die twee gebeurtenissen.
    3. Pas een van de genoemde hulpmiddelen toe (op je werk of in privé-omstandigheden). Wat is voor jou achteraf gezien de meerwaarde van het hulpmiddel?
    4. Beschouw een beschouwing van je (bijv. een eerdere studieopdracht): welke informatiebronnen heb je niet aangewend? Waarom niet?
    5. Praat met een medestudent of collega over waarheidsliefde. Vat de gedachtewisseling samen en trek er voor jezelf een conclusie uit. Hoe zou je deze conclusie aan een nadere beschouwing kunnen onderwerpen?

    2.2.3 Studieopdrachten (De gevolgtrekking)

    1. Breng een gebeurtenis in kaart waarbij je tevreden was over de gevolgtrekking en een gebeurtenis waarbij je er ontevreden over was. Maak een topografie van alle input die je bij beide ervaringen had.
    2. Pas een van de genoemde hulpmiddelen toe (op je werk of in privé-omstandigheden). Wat is voor jou achteraf gezien de meerwaarde van het hulpmiddel?
    3. Observeer en registreer hoe mensen om je heen tot conclusies komen. Kun je hun redeneringen volgen, vind je de wijze waarop ze uitkomen bij een conclusie correct?
    4. Schrijf een essay over waarom onuitvoerbare ideeën buitengewoon aantrekkelijk zijn.
    5. Onderzoek een voornemen (persoonlijk of professioneel) aan de hand van de vragen genoemd bij ‘goed én realistisch’ als voortvloeisel van praktische wijsheid.

    2.2.4 Studieopdrachten (De test)

    1. Breng een gebeurtenis in kaart waarbij je een test leuk spannend en een gebeurtenis waarbij je een test vervelend spannend vond (of dat het je allemaal niks kon schelen). Maak een topografie van alle input die je bij deze ervaringen had.
    2. Pas een van de genoemde hulpmiddelen toe (op je werk of in privé-omstandigheden). Wat is voor jou achteraf gezien de meerwaarde van het hulpmiddel?
    3. Noem een aantal ervaringen met snel bijgestelde of opgegeven experimenten (groot of klein). Aan welke voorwaarden was voldaan om dit grillig verloop mogelijk te maken?
    4. Waar liggen voor jou barrières om als ‘een koele kikker’ te experimenteren? Wat kun je eraan doen om deze te slechten?
    5. Zoek met het trefwoord ‘leerstijlen’ naar dromers, denkers, doeners en toetsers. Motiveer welke typering het best bij jou past en illustreer dit met concrete voorbeelden.

    2.3.1 Studieopdrachten (Geldigheidsaanspraken)

    1. Luister aandachtig naar een voordracht en turf wanneer welk type aanspraak wordt gemaakt.
    2. Luister naar een gesprek, turf de typen aanspraken en noteer of de gesprekspartners op elkaar reageren met hetzelfde type of dat de ene juist switcht als de andere wat heeft gezegd. Hoe verloopt de verdere interactie?
    3. Stel je eigen tien geboden op voor een goede omgang tussen mensen. Tegen welke wordt het meest gezondigd en tegen welke het minst? Hoe komt dat volgens jou?
    4. Beschrijf een situatie op drie strikt gescheiden niveaus: wat gebeurt er, welke normen worden gevolgd of zijn in het geding, welke gevoelens worden opgeroepen (bij jou en/of anderen)? Wat levert je de scheiding naar niveaus op?
    5. Noem een zaak waar je intuïtief sterk achterstaat. Transformeer je gevoelens naar het gebied van de feitelijkheden. Benoem de rationele kaders waarbinnen wat je aanvoelt zou kunnen vallen.

    2.3.2 Studieopdrachten (Belangen)

    1. Beschrijf (zoek op) wat het verschil is tussen instrumenteel en strategisch communiceren of handelen. Geef voorbeelden van jou gebruik van deze vormen van communicatie.
    2. Noem drie voordelen van strategische communicatie en voorzie deze van mogelijke ethische bezwaren.
    3. Zoek een tekst van of over Victor Frankle en het omgaan met frustraties. Benoem vervolgens wat jij goed vindt aan frustraties verdragen.
    4. Zeg tegen jezelf in situaties dat je plotseling moet wachten dat je vrije tijd cadeau krijgt. Oefen daarmee en noteer wat er eventueel verandert in je beleving van de wachttijd.
    5. Ga op je werk- of stageplaats na of het beheer van financiën transparant en verantwoordbaar is. Als ‘men’ vindt dat je daar niets mee te maken hebt, is dat dan wel zo vanzelfsprekend?

    2.3.3 Studieopdrachten (Resultaten)

    1. Kijk in een begeleidingsplan zeer secuur naar de reeks ‘probleem, vraag, doel, aanpak, te meten resultaat’. Is er een logisch en concreet verband tussen de genoemde elementen?
    2. Maak met een cliënt (of fantaseer er een) een werkplan voor één probleem. Concretiseer tot in de finesses het doel, wat jullie gaan doen en welke effecten je daarvan verwacht.
    3. Beschrijf van een werkwijze of hulpverleningsbeleid op welke verklaring van problemen deze aansluit, wat de resultaten zijn en wat de werkzame factoren zijn. Vergelijk je beschrijving met die van een collega of medestudent.
    4. Schrijf een essay met de titel ‘Gewichtig doen over verklaringen van hulpverlenend handelen is stom’.
    5. Zoek via internet naar (wetenschappelijke) rapporten die naar de prullenbak zijn verwezen. Lees de kritieken. Formuleer je mening over het verschijnen van ‘ondeugdelijke’ rapporten.

    3.1 Studieopdrachten (Denkfouten en manipulaties)

    1. Maak een ‘spiekbriefje’ van de genoemde denkfouten in deze paragraaf. Gebruik het af en toe als iemand je ergens van wil overtuigen. Houd bij wat dit je oplevert.
    2. Schrijf een essay over wanneer manipuleren goed is en wanneer niet.
    3. Inventariseer de groepen in de samenleving waarin je geen persoonlijke contacten hebt. Omschrijf die groepen aan de hand van beelden die je ervan hebt.
    4. Zaag iemand door op een bewering of betoogtrant. Wat bedoelt die persoon nu eigenlijk exact te zeggen? Praat er naderhand met die persoon over door: hoe was het om zo kritisch te luisteren en vragen te stellen?
    5. Maak een lijstje van denkfouten die jezelf wel eens maakt en formuleer concrete voornemens om ze te voorkomen.

    3.2 Studieopdrachten (Hulpschema's gedachtenordening)

    1. Prent je de hulpmiddelen in en laat je overhoren door een vriend of collega.
    2. Pas de piramide toe op een werk- of privé-situatie waarin je iets wilt aanpakken. Wat levert je het werken met de piramide op, heeft dat een meerwaarde?
    3. Toets een aantal van je doelen (bijv. supervisiedoelen of doelen met cliënten) aan ‘smart’. Voldoen ze aan de kenmerken van een goede doelformulering of zijn er toespitsingen nodig?
    4. Noem een situatie waartegenover je machteloosheid ervaart. Beschrijf hoe je daarmee omgaat. Bedenk een benadering die je betrokkenheid koppelt aan (enige) invloed.
    5. Doe aan de hand van ‘matrix tijdsbesteding’ twee observaties: kijk naar jezelf en naar een ander hoe de tijdsbesteding op een werkdag is. Praat naderhand met elkaar over de bevindingen en eventuele veranderingswensen.

    3.3 Studieopdrachten (Deugdzaam door oefening)

    1. Maak een samenvatting van deze paragraaf. Geef per thema aan wat je aanspreekt en wat je maar niks vindt.
    2. Bedenk je een omgeving die je volkomen vreemd is en ga daar samen met iemand naartoe. Wissel naderhand van gedachten over wat er goed en aantrekkelijk was in die omgeving.
    3. Neem een rotsvaste overtuiging van jezelf en laat een collega of medestudent dat ook doen. Bestook de overtuigingen om de beurt met ondermijnende vraagstellingen. Bedenk of stel vast wat de voorwaarden zijn om deze uitwisseling leuk en spannend te laten zijn.
    4. Neem je een zich in de tijd herhalende handeling voor waarvan je weet of verwacht dat daarbij zelfdiscipline nodig is. Bespreek met een vriend(in) onder welke voorwaarden je kans van slagen hebt. Voer de handeling vervolgens uit.
    5. Schrijf een essay met de titel: ‘Ik de professional: een kunstwerk’.

    3.4 Studieopdrachten (Jezelf als ijkpunt)

    1. Maak een samenvatting van deze paragraaf. Geef per thema aan wat je aanspreekt en wat je maar niks vindt.
    2. Formuleer bij de thema’s die je aanspreken handelingsvoornemens en bespreek met een vriend(in) hoe je deze kunt waarmaken.
    3. Beschrijf wat er gebeurt in je waarneming, gedachten en gevoel als iemand je met veel overtuigingskracht toespreekt.
    4. Zoek een verhandeling op over stoïcijns-zijn. Praat met een collega of medestudent over hoe deze (levens)houding je wel en niet te pas kan komen bij deugdzaamheid in je werk.
    5. Schrijf een essay met de titel ‘Onbelangrijk zijn is best lekker’.

    4.1.1 Studieopdrachten (Cognities als keuze)

    1. Interview een aantal mensen over de voor hen inspirerende boeken of personen. Leg de nadruk op de handelingsconsequenties die zij formuleren.
    2. Vraag een cliënt naar zijn of haar inspiratiebronnen. Praat door over waar de cliënt kracht uit put of kan putten bij het hanteren van problemen.
    3. Schrijf jouw mening over de driedeling lichaam, geest en ziel op en discussieer met iemand van wie je weet dat hij of zij het niet met je eens is.
    4. Bedenk of verzin een andere invalshoek dan cognities om het menselijk functioneren te beschrijven. Maak een opzet van een artikel dat je daarover zou kunnen schrijven.
    5. E-mail met een vriend(in) over de stelling: in naam van de medische wetenschap wordt net zoveel gelogen als in naam van godsdiensten.

    4.1.2 Studieopdrachten (Gedachten)

    1. Schrijf een essay met als titel ‘Gevoelens zijn belangrijker dan gedachten’.
    2. Wat wordt verstaan onder een ‘morfogenetisch veld’, en wat vind je daarvan?
    3. Noem (zoek) kansen en bedreigingen vanuit de genetica. Hoe gaan mensen volgens jou goed om met dit wetenschapsgebied?
    4. Registreer, bijvoorbeeld na een werkdag, gebeurtenissen die nauwelijks tot je zijn doorgedrongen. Analyseer hoe dat komt.
    5. Noem een gedachte (opvatting o.i.d.) van jou die hyperorigineel is. Verklaar je keuze.

    4.1.3 Studieopdrachten (Theorieën)

    1. Wanneer is volgens jou het verband tussen theorie en praktijk het sterkst?
    2. Neem een leerdoel van jezelf (stage, supervisie) en benoem welke theorieën daarbij horen; inhoudelijk zowel als bij de manier van je leren.
    3. Geef een voorbeeld van een theorie waar je veel aan hebt in je werk. Leg uit wat het praktische nut ervan is.
    4. Zoek een verhandeling over ‘De mens is zichzelf een vraagstuk’ en noteer wat voor jou essentieel is in die verhandeling.
    5. Surf op internet via theorie+kritiek of wetenschap+kritiek. Maak kort aantekening van wat zoal langskomt en praat erover met een collega of medestudent.

    4.1.4 Studieopdrachten (Waarheden)

    1. Noem een aantal waarheden die je hebt moeten herzien. Hoe verliep die herziening, hoe heb je die ervaren?
    2. In welke alledaagse situaties houd je jouw waarheid of waarheden maar liever achter? Wat vind je daarvan?
    3. Wat is jouw persoonlijke theorie over wat werkt in je begeleiding van cliënten? Praat daar met een cliënt over ­ ervaart hij of zij dat ook zo?
    4. Schrijf een essay met de titel ‘Ideeën en gegevens zoeken is (niet) leuk’.
    5. Organiseer een debat (bijv. in een rollenspel) over het goede alternatief bij een gebrek aan een ‘evidence based practise’.

    4.1.5 Studieopdrachten (Emoties)

    1. Wanneer zijn volgens jou gevoelens belangrijker dan gedachten en wanneer omgekeerd?
    2. Beschrijf een situatie: wat gebeurde er, wat dacht je, welke emotie(s) had je, wat voelde je lichamelijk, wat deed je uiteindelijk?
    3. Waarom kan het nuttig zijn de elementen uit voorgaande opdracht te onderscheiden? Wat kun je daarmee in je begeleiding van cliënten?
    4. Wat zou volgens jou de plaats van kunst moeten zijn in hulpverlening? En in het ‘gewone’ leven? E-mail hierover met een collega of medestudent.
    5. Het leven als kunstwerk, ik creëer dus ik besta… vind je het eigenlijk allemaal niet een beetje onzin? Motiveer je antwoord.

    4.2.1 Studieopdrachten (Dynamische vormgeving)

    1. Bij welke heersende opvattingen over intermenselijke verhoudingen in de samenleving heb je ernstige twijfels? Maak aanwijsbaar gebruik van logica om je twijfels te ondersteunen (zoek zo nodig eerst de logicaregels op).
    2. Heb je ideeën of ervaring (gehad) waarbij je het gevoel hebt er alleen in te staan? Of hoor je hierover van je cliënten? Wat betekent dat voor je?
    3. Beschrijf vervuld aan de hand van de behoeftepiramide in welke mate en op welke wijze jouw behoeften worden. Hoe zag dit er bijvoorbeeld vijf of tien jaar geleden uit? Wat zegt deze vergelijking je?
    4. Zoek een artikel over narratieve kennis. Formuleer enkele werkvoornemens om deze kennis bij wijze van experiment toe te passen.
    5. E-mail met een vriend(in) over twee eigenschappen die de ander niet zijn aangeboren maar aangebracht. Je vriend(in) en jij hadden dus ook net zo goed andere eigenschappen kunnen hebben? Wat zou dat voor jullie betrekking hebben kunnen betekenen?

    4.2.2 Studieopdrachten (Systeem surplus)

    1. Beschrijf een aantal ervaringen die je hebt met ‘opereren in groepsverband’ (negatieve en positieve). Wat gebeurde er met jou waarnemen, denken en voelen?
    2. Welke conclusie trek je uit de experimenten van Milgram wat betreft je eigen mogelijke gedrag en het gedrag van andere mensen?
    3. Welke deugd zou je centraal willen stellen als tegenwicht voor groepsdruk? Hoe zou je deze deugd in ere willen houden?
    4. Kijk/zap een avondje tv met pen en papier bij de hand: noteer de levensinstructies die op je afkomen. Wat vind je ervan dat mensen dergelijke boodschappen voortdurend ontvangen?
    5. Organiseer een debat (bijv. een rollenspel o.i.d.) over ‘maatschappelijke ontwikkelingen die uit de hand lopen’.

    4.2.3 Studieopdrachten (Inlijving...)

    1. Schrijf een aantal opvattingen of gedragingen van jezelf op waarbij je aangeeft dat je die nogal overgenomen (‘tweedehands’) vindt. Als je gedwongen wordt tot één conclusie daarover, hoe luidt die conclusie dan?
    2. Schrijf een essay met als titel ‘Samenleven maakt (on)vrij’.
    3. Welke deugd zou je centraal willen stellen als tegenwicht voor de samenleving als bezettingsmacht? Hoe zou je deze deugd in ere willen houden?
    4. Waarin bots jij non-conformistisch op anderen? Waarom juist betreffende die zaken?
    5. Maak je eigen levenslijst met minimaal vijf waarden en normen. Neem deze door met een medestudent of collega.

    4.2.4 Studieopdrachten (...of in de centrifuge?)

    1. Lees iets over ‘Eigen Kracht Conferentie’. Schrijf een essay over hoe dit verschijnsel zich verhoudt tot de deugden.
    2. Hoe voeden jij en je collega’s cliënten op tot nette brave burgers?
    3. Log in op een chatbox van een bepaalde groep of rond een bepaald thema ver weg van jou dagelijkse leven. Maak aantekeningen van wat de deelnemers bezig houdt. Als je er iets van zou moeten leren, wat zou dat dan kunnen zijn?
    4. Wat zijn volgens jou de verschillen tussen enerzijds iemand die best raar is en die je bewondert en anderzijds iemand die raar is en die je liever vermijdt?
    5. Organiseer een debat (bijv. een rollenspel o.i.d.) over ‘de idee van deugden is wel/niet achterhaald’.
  • NAAR BEGIN