'Kringen in de wind(1)'

© 2006, Frans Brinkman

[Gepubliceerd in de bundel Oost, west... Roemenië! (2006)]

In 1994, aan een baai op Tenerife, degedoogzone voor hippe wildkampeerders en andere landlopers, onder wie eenmanisch-depressieve, goed schakende Irrenanstaltvoortvluchtige, die ik nietwas, wist ik het: in 1996 ga ik op reis. Zonder halsoverkopen van uitstel komt afstel houd ik met het bestelbusje halt aan de rand van hetReichswald en hef het glas op mijzelf. De zon zakt, het leven begint alweeropnieuw. Het komt niet in me op om er te blijven. Ik drijf gestaag richtingRoemenië. Ik weet waar het ligt, ik ben er niet naar op weg. De modernefilosofie omarmt lokale kennis, jammer dat ze in Brussel en Straatsburg zoachterlopen. En op de ambassades die mij geen visum geven voor deOekraïne, om nog maar te zwijgen over de oorlogszuchtigen in Joegoslavië.

Alles is gemengd. De mensen, degevoelens en de landverhuizers. Hier ben ik blij een allochtoon. Eentoegevoegde. Natuurlijk, we komen allemaal erbij door geboorte, maar zoveelgelijkheid kan de mens niet aan. Hier bekijk ik het. Het land dat er is omdater een bord staat: ‘Roemenië’. Waarvan de inwoners weten dat het bestaat. Zewijzen me op het bord: kijk! Het bestaat niet voor iedereen op dezelfde manier.Maar alle inwoners zijn diep religieus, want ze hebben kerken en bij allekerken slaan ze een kruis; ze slaan meerdere malen een kruis bij alle kerken,ze moeten wel van God doorregen zijn. Iedere dag een heiligendag. In zo’n landwoon ik nu. In een disco als 18-jarige kun je je niet voorstellen dat je hetooit wel helemaal gehad zult hebben met disco’s.

Ik heb tv met vijfenvijftig stations op de huis-, tuin- en keukenkabel en ik zie een documentaire over de Roemeense jaren dertig van de vorige eeuw. Ik kijk door het andere raam en betrap dewerkelijkheid: de stad trilt en beeft. Verderop is het stil. Buiten de stad isde aarde geen bol, en toch niet per se plat. Men heeft er geen idee van, en erook geen mening over. De wereld is drie dorpen en tweemaal per jaar stad. Ikzie geen documentaire over de middeleeuwen; ik sta er middenin.

Het armzalig ogende flatgebouw is van binnen luxe en luxe villa’s komen niet onder dak. Het is onduidelijk wie rijkis of arm. Wie een eigenaar is of ergens zeggenschap over heeft en waarom daneventueel niet. Wachten is wachten, maar ook iets anders doen. De intrinsiekeversnelling van wachten met flexibiliteit is vooral niet star zijn in altijdweer iets nieuws willen. Waarna het ooit komt of nooit, maar altijd zonder erg.Hete zomers, strenge winters, en het waait er zelden. Dat laatste is het meestwaar. Ook al leek mijn oude thuis wel duizend kilometer van zee, het waaide eraltijd, wat de stilte hier benadrukt, die lawaaierige leegte van de metwelvaart volgeplempte stad. Wel zijn de Lage landen groter geworden, nuNederland vanaf mijn post gewoon bij Vlaanderen hoort. Mijn land, mijn taal,mijn bloed - waar moet dat heen? Mijn adres is Strada Haotic 2b.

Een dame op leeftijd wil me in een door haar verzonnen rij laten staan, zodat zij zicht heeft op een deur. Ze gebaartalsof er een streep is. Liefdevol heeft ze zich met killersinstinct in haarbontjas gehuld om een kind van school te halen. Thans sta ik in haar blikveld.Ik, die er ook voor een kind staat, die zo was losgeraakt bij deleerling-hippies - bij de echte in de grotten mocht je niet zomaar komen - enzich nimmer zo verveelde en zo bruin werd en vijf keer hetzelfde boek las, ik,nota bene, zou door deze Elena Ceauºescu wel even in een hok worden gedreven?Zoiets zeg ik, want zo ben ik, en ze kijkt verbijsterd. Zij zegt niks, maar ikweet wat ze denkt: toen wij fascistisch communistisch de baas waren had je diebuitenlanders hier niet zo.

Een student theologie heeft geen zinnigwoord te melden en een student journalistiek is niet nieuwsgierig. De kerkelijkvoorganger ouwehoert alleen maar over voetbal. Iedereen zegt dat het beter gaaten slechter wordt, en de corruptie afneemt doordat degenen die het meten zijnomgekocht. De democraten zijn neoliberaal, de socialisten feodaal. Hetkennisniveau is hoog, toch is menigeen ernstig op zijn achterhoofd gevallen. Menis gastvrij, beschaafd, sterker nog: geciviliseerd, en ieder die afwijkt slaatmen van zich af als strontvliegen - gehandicapten, gedetineerden,psychiatrische patiënten, lastige kindertjes en echte burgers. Deze geordendebende is mij lief, want zonder opsmuk. Zonder de minste gêne rijdt menhard kapitalistisch met een dikke auto zijn eigen kinderen dood. Zomaar.

Niets is wat het lijkt. West-Europa is eerder een andere planeet dan een ander werelddeel. Och, wie oppervlakkigmeeleeft in den vreemde of dominant anderen opzadelt met de eigen overdekteonzekerheden - soms verrassend materieel en fraai vormgegeven als winkelcentrumof bedrijvengebouw… Wie wil heeft echter een mooi zicht op de vulkaan. Hetwarme verstikkende sociale weefsel. De ontnuchterend intrigerende ontmoetingmet beperkingen en levenseinde, de opgegraven en gewassen botten van eengeliefde. De naakte waarheden. Bespottelijk kinderlijk eenvoudig, zondervragen. Heel helder zie ik ongrijpbare morfogenetische velden als eendraaikolk, wij bevinden ons in het midden.

Er zijn buitenlanders die denken dat hier tussen het jaar 1 en 1989 niet veel is gebeurd. Of dat tussen 1945 en 1989hier de boel hermetisch was afgeplakt en iedereen degelijk Hollandsadministratief ingelijfd. Dat men John Lennon niet gekend zou hebben of NeilArmstrong. Oké, er is tot op de dag van vandaag een gebrek aan Afrikanen. Maarverder hebben we hier dan ook iederéén, ook vanuit India, Arabië, Siberië enMongolië. Iedereen is gekomen, niemand komt hier vandaan. We planten ons voort;we zijn van vroeger en straks. Wij zijn in onze cel Nederlanders, Roemenen enRroma. Het verschil tussen Hien en Boekarest smelt weg.

“Ergens moet een uitweg zijn, zegt de nar tegen de dief.” Dat zingt Bob Dylan. Als veel mensen hetzelfde denken, danis dat een stevig ongefundeerd gebouw, misschien moet men er wel zeven maalzeven maal zeven omheen lopen. Maar wie zal dat doen? Wie zal opdracht geven enwie zal weigeren? Och, laat ook maar, want in dit eindeloze gelukkige landzonder begin verandert nooit iets. Ben ik hier thuis? Somna, mijn vrouw, zegt:“God heeft het zo gewild.” Ze bedoelt: ‘Mooi zo en genoeg erover.’ Ongetwijfeldeen troostvolle gedachte voor een agnost. Op mijn wachttoren tob ik door overde onwetenden die niet weten dat ze zalig zijn.

In dit wrede paradijs wemelen slangen.De vereconomisering en globalisering zullen het land platter slaan dan ooittevoren. De vooruitgang verdraagt geen stilte, geen wachten, geen geduld alsmeditatie. Geen onbestemd oog waarin niets te zien is en toch wat toont. Hetland zal de beschaving van anderen drukken. De moderne filosofie kent de krachtvan folklore, jammer dat ze in Brussel en Straatsburg zo achterlopen. Deverenigde lokale bontjasdames van overal zullen minzaam wuiven. In West-Europaverduistert geocentrisme de blik. In nachtelijk spektakel krijgen politici afen toe een dode leeuw toegeworpen om te verslaan. Ze grommen blij, ze spelendat ze wat weten. De bontjassen kegelen onverstoord door.

Ik woon op nummer 2b omdat op 2a iemand anders woont. En op 2c ook, maar daar gaat het nu niet om. Op 2a woont eenvreemdeling, net als ik. Hij doet alsof hij hier thuis is, hij legt zijn benenop tafel en laat winden in de keuken. Hij urineert onder de douche. Dat weetik, want ik heb een goed uitzicht. Och, het zou allemaal weinig hinderen, alshij niet alleen niet alles zou weten maar niet ook nog eens alles beter zouweten. Betweter is het goede woord niet. Hij is onbeschoft. “Zo doen wij dat”,zegt hij de hele dag tegen iedereen. Hij is dom. Hij wil niet leren. Heel soms,als het onvermijdelijk wordt, ben ik gastvrij en hebben we een discussie. “Datje nou het hele Nederlandse vrijzinnigheidssysteem hebt vervangen door eenperfect burgervolgsysteem, is geen argument om dat hier ook te doen. Weg metlust en last, lijden, plezier en nut - een vlak futloos zooitjeconsumentenkwijl blijft over.” Ik ben de beroerdste dus niet, maar hij wel: “Zogaat het nu eenmaal”, zegt hij zelfingenomen. Aan zijn eigen diepte-inzichtkunnen ze volgens hem ook op de toppen van de Karpaten echt niet tippen. Hijtuit dan minzaam zijn lippen: “Ze zullen er toch aan moeten geloven.” Dezebuurman is vermomd, want zonder bontjas.

Rollende stenen vergaren geen mos. Ik kwam hier niks brengen, mij kunnen ze er later niet op aankijken. Ik kom nietmet verbeteringen om het leven te bederven van arme prutsers met gemiddeld 0,75koe. Of die met draad en garen hun Trabant op de weg proberen te houden. Ofaltijd alles maar willen stukadoren, terwijl ze zich een stuk in de kraag zuipen.Ik ben de buitenstaander, observant van onveranderlijk geluk, van onaangeraakteeenvoud en schuwheid ook, want men weet dat het niet zo blijven zal. In dealwetende westerse verwarring doorgrondt men heel goed wat wordt weggedaan.Hier kan men gemakkelijk zijn, overal is altijd een bed, een maaltijd, eenaanspraak - het individu is nog niet uitgevonden.

www.roemenie.com